administratief centrum Bierbeek - 2010



We nemen de wens tot kruisbestuiving en samengebruik met Cultureel Centrum de Borre ernstig : deze opdracht gaat over de uitbreiding van het bestaande gebouw, en niet om het toevoegen van een nieuw onafhankelijk volume op een bestaande campus.

Maar het gaat om meer dan een gebouw alleen : het verder uitbreiden van het gebouw bestendigt de transformatie die zich – misschien onbewust? – gaandeweg voltrok. Toegevoegd bouwvolume, parkings beneden en boven, vele paden en verhardingen om elke toegang bereikbaar te maken, .... : de Borre drukt steeds meer zijn stempel op het ‘natuurlijke landschap’. De open ruimte die overblijft probeert krampachtig groen en landschappelijk te zijn, maar biedt dikwijls onvoldoende kwaliteit.

Een verdere uitbreiding kan klaarheid scheppen. We zien de stempel als een doel en een middel. We spreken niet langer van een gebouw in zijn omgeving, maar van een gemeentekavel op de overgang tussen dorp en landschap. De kavel – stempel van gebouw en buitenruimte – heeft zijn eigen logica en vormgeving, Hij biedt samenhang en leesbaarheid, verbinding en toegang. Wie op de kavel staat hoort erbij.

We zetten het nieuwe gebouw en haar buitenruimte in om de kavel te definiëren, en geven een aanzet voor toekomstige ontwikkelingen. Heeft het gemeentehuis geen nood aan een gemeenteplein? De Borre aan een evenementenplein? De bibliotheek aan een leestuin? Het jeugdhuis aan een koer? Verdienen Oude Kantine en OCMW straks geen evenwaardige plaats op de kavel, en helpen zij niet mee de buitenruimte vorm te geven?

Het nieuwe administratief centrum kiest positie : we versterken randen en definiëren buitenruimtes. We maken de plek doorwaadbaar en sluiten de vele toegangen aan op logische routes en verblijfsplekken, buiten en binnen.

De holle weg, de historische verbinding met Haasrode die al voorkomt op de Ferrariskaart van 1777, is een dankbare en sterke grens. De langgerekte nieuwbouw nestelt zich in het talud en vormt een duidelijke rand voor de kavel. Aan de binnenkant transformeren we het aanwezige reliëf tot een landschappelijk plateau. Het nieuwe gebouw schuift er deels onder en deels boven, en definieert een ‘benedenplein’ en een ‘bovenplein’: aangename onthaal- en verblijfsplekken, onderling verbonden tot een afwisselend parcours langs de verschillende oude, nieuwe en toekomstige gebouwen en gebouwdelen.

De kavel regelt het dagelijkse komen en gaan en biedt plaats aan fietsenstalling, bushalte, bezoekersparking, ... De grote parking beneden – die nu te veel het voorkomen van De Borre bepaalt en voor dagelijks gebruik overgedimensioneerd is – maakt geen deel uit van de kavel. Ze houdt zich afzijdig, en biedt marge wanneer nodig.

Kan deze vlakte op termijn evolueren naar een groene parking, die vormelijk meer aansluit bij de tuinen die verderop de rand van de kavel bepalen?