wetenschapspark Waterschei - 2007

Terwijl Genk blijft groeien tot een bloeiende multipolaire stad, is de ruimtelijke onderlegger die hiertoe aanleiding gaf zo goed als verdwenen. De industriële mijnsites waarop Genk als uit het niets werd geënt zijn alle zo goed als weggevaagd. Opkomst en teloorgang van de ganse mijnactiviteit gebeurde binnen een tijdspanne van minder dan een eeuw. De multipolaire onderlegger op basis van mijnconcessies en bijhorende ontwikkelingen verankert uiteraard voorgoed de stedelijke structuur. Op de eigenlijke mijnsite van Waterschei neemt echter het heidelandschap (gemuteerd) terug over in de onophoudelijke cyclus van verandering.



Wat rest zijn eigenzinnige fragmenten – verlaten mijngebouwen en terrils – als geïsoleerde landmarks, die maar tot leven komen in de sappige anekdotes verteld door de ex-mijnwerkers. De restanten staan in een vreemde dialoog met de ontwikkeling die ze teweegbrachten. Het centrum van de mijncité met de overmaatse kerk getuigt van een andersoortige maatschappelijke organisatie. Ondanks pogingen om het voormalig gemeenschapsleven rondom het mijncentrum nieuw leven in te blazen (zoals het cultureel centrum in het voormalig casino modern) richt de cité zich hoe langer hoe meer naar andere centra zoals de commerciële Stalenstraat en de scholencampus-Hoevenzavellaan.



De ambitieuze omvorming tot bedrijvencampus zal dit opnieuw pogen te keren, en daarbij een nieuwe rol opeisen voor de mijngebouwen als kern van deze nieuwe bedrijvigheid. Het RUP vervangt het spontane landschap bovenop de mijnsteen door een enigszins artificiële enscenering met behulp van een set nieuwe landschappen: een ‘stedelijk’ boulevard met bosparkings, een heidepark-mijnlandschap en een bospark-waterpark. Dit is begrijpelijk als structurering van een geplande ontwikkeling met grote, medium, en kleine korrel. Toch dreigt deze aanpak ook de samenhang van de voormalige industriële site nodeloos te versnipperen.



De site lijkt een eenduidig schraal graslandschap met markante blikvangers. Pas door het uitgestrekte veld echt te betreden, blijkt hoe geaccidenteerd het terrein er momenteel bij ligt. Belangrijke niveauverschillen (verzakkingen?) zijn ongetwijfeld ook een gevolg van de uitgevoerde saneringswerken. Het maakt wel dat het landschap veelzijdiger is. Lagere delen lijken wel oases afgesloten van de omgeving, waar een afwijkende begroeiing zelfs lijkt te wijzen op een ander microklimaat. De landmarks verdwijnen uit het gezicht, en daarmee de notie van oriëntatie. Pas bij verlaten van de lager gelegen plekken worden boven de begroeiing de mijngebouwen, kerktoren en terrils gaandeweg terug zichtbaar. Het eerst de hoogste en de meest nabijgelegen blikvangers, om tenslotte op de hoger gelegen terreinen weer het grasland te overschouwen.



Deze wandeling stuurt voorliggend onderzoek: we willen nagaan of de boeiende landschappelijke ervaring – met een hoofdrol voor de restanten van de industriële mijnsite - kan samengaan met het ontwikkelen van een bedrijvenpark in casu wetenschapspark, en dit binnen de krijtlijnen en bindende voorwaarden van het RUP: een kwaliteitsvolle omgeving voor hoogtechnologische bedrijven EN een vrij toegankelijk post-industrieel park.